Waterveiligheid door de eeuwen heen

Onze geschiedenis en ons landschap laten zien hoe we door de eeuwen heen met vallen en opstaan met het water zijn omgegaan en dit uiteindelijk grotendeels naar onze hand hebben gezet.

Bijna een derde van Nederland ligt onder de zeespiegel. Als de dijken breken, zou in theorie ruim de helft van het land onder water kunnen lopen. De komende jaren komt de zeespiegelstijging door de klimaatverandering daar als omvangrijke opgave bij. Daar bovenop daalt in grote delen van Noord- en West-Nederland het landoppervlak door verschillende oorzaken gestaag. Nederlanders hebben een lange traditie in de omgang met water, dat ze al dan niet succesvol onder controle probeerden te krijgen. 

Vroege waterstaat

Al ver voor het begin van onze jaartelling moesten mensen rekening houden met het water en vestigden zich dus op de drogere, hogere plekken. In de laatste eeuwen voor onze jaartelling, vanaf de ijzertijd, werden op hogere delen van de kwelders in het kustgebied woonheuvels opgeworpen. Op deze terpen, wierden of werven werden de boerderijen zo beschermd tegen de jaarlijks terugkerende overstromingen.
Vanaf het begin van de jaartelling, in de Romeinse tijd ontwikkelde de waterstaat zich verder; door de aanleg van afwateringssloten en voorzieningen als (klep)duikers konden ook de nattere gronden gebruikt worden voor landbouw. Ook legde men de oudste in Nederland bekende kanalen (het Kanaal van Corbulo en Drususgracht) en havens aan. Langs het westelijk deel van de Romeinse grens, de Limes lagen dammen en bruggen die een goede verbinding van de kust met het achterland moesten waarborgen. Na de Romeinse tijd liep het aantal inwoners van ons land aanvankelijk sterk terug. Pas vanaf de 6e eeuw, maar vooral in de 7e en 8e eeuw nam de bevolking weer toe. Lange afstandshandel over het water werd belangrijk. Op strategische plekken langs rivieren werden handelsnederzettingen gesticht.

reconstructietekening van Matilo

Beeld: Bij het Romeinse fort Matilo kwamen verschillende waterlopen bijeen, namelijk de Rijn (nu Oude Rijn), het kanaal van Corbulo, de Zijl en de Warmonder Leede (Reconstructie Mikko Kriek).

Dijken

Hoe oud de oudste dijken zijn, weten we niet goed. Al in de Romeinse tijd beschermden lage ringdijken kleine akkers op de kwelders en ook in middeleeuwen zullen al vroeg plaatselijk dijken zijn aangelegd. Een belangrijk deel van de huidige zee- en rivierdijken is aangelegd in de late middeleeuwen. In het begin werden de dijken door de plaatselijke bevolking aangelegd om zo overstromingen in het eigen dorp en de nabijgelegen akkers te voorkomen. In het rivierengebied werden dijken dwars op de rivier aangelegd om zo wateroverlast in het gebied stroomafwaarts tegen te gaan. Vanaf de 12e en 13e eeuw werden de zaken planmatiger aangepakt en ontstonden omvangrijkere dijkenstelsels. Waterschappen werden verantwoordelijk voor de waterhuishouding in een bepaald gebied. Omstreeks 1300 waren grote delen van laag Nederland aaneengesloten bedijkt. Veel dijken zijn aangelegd om bestaand land te beschermen. Daarnaast zijn dijken opgeworpen om nieuw land aan te winnen door bijvoorbeeld droogvallende gronden te bedijken. Vaak ging het hierbij om land dat eerder door overstromingen verloren was gegaan. Vooral in Zuidwest- en Noord-Nederland leidde dit tot reeksen elkaar opvolgende bedijkingen, die vaak nog steeds in het landschap zijn terug te vinden.

Spaarndammerdijk met schapenBeeld: Spaarndammerdijk ter hoogte van Halfweg (Noord-Holland). Deze dijk werd in de 13e eeuw aangelegd en liep van de Amstel naar het Spaarne.

Droogmaken en onder water zetten

Door ontwatering van het veen daalde de bodem en werd het land daarmee gevoeliger voor overstromingen. Vanaf omstreeks 1400 werden poldermolens ingezet om natte gebieden droog te malen. Deze polderbemaling met windkracht was tot ver in de 19e eeuw de belangrijkste methode om het land droog en bewoonbaar te houden. Vanaf de 17e eeuw werden met behulp van poldermolens ook systematisch meren en plassen drooggelegd. Deze droogmakerijen kregen een landbouwfunctie om mensen in de steden van voedsel te voorzien. Door de voortschrijdende techniek was het mogelijk om steeds grotere wateroppervlakten leeg te pompen en kreeg men steeds meer grip op het watersysteem. Zo werd het Haarlemmermeer halverwege de 19e eeuw volledig door middel van stoomkracht met slechts drie gemalen drooggemaakt: de Leeghwater, de Cruquius en Lijnden (alle drie rijksmonument) waardoor de Haarlemmermeerpolder ontstond. In dezelfde periode werden op grote schaal rivieren rechtgetrokken, dijken verhoogd en kanalen aangelegd. Al in de Tachtigjarige Oorlog begon men plaatselijk land tijdelijk onder water te zetten om de vijand buiten de deur te houden. Later kwamen ook waterlinies tot stand.

Gemaal Cruquius   

Beeld links: Rijksmonument Stoomgemaal De Cruquius uit 1849 is een van de drie gemalen waarmee de Haarlemmermeer tussen 1849 en 1852 werd drooggepompt. Beeld rechts: Het Koning Willem-Alexander gemaal is een boezemgemaal bij Katwijk aan Zee, gebouwd in 1951-1954. Dit gemaal staat in de Top 100 van wederopbouwmonumenten.

20e-eeuwse ingrepen

In de 20e eeuw was het door de voortgaande technische ontwikkeling mogelijk om grootschaliger dan ooit in te grijpen in de waterstaat. Er lagen diverse plannen om de Zuiderzee af te sluiten en (deels) droog te leggen, de een nog rigoureuzer dan de ander. Uiteindelijk werd het plan van Cornelis Lely tussen 1930 en 1968 uitgevoerd. Aanleiding hiervoor was de watersnoodramp van 1916, waarbij verschillende gebieden rond de Zuiderzee onder water liepen. Achtereenvolgens werden de Wieringermeer, de Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland drooggelegd. De Zuiderzee werd afgesloten door middel van de Afsluitdijk. Hiermee ontstond het IJsselmeer, het grootste zoetwatermeer van Noord-West Europa. De watersnoodramp van 1953 leidde tot een tweede waterstaatkundige krachttoer: de Deltawerken. Tussen 1956 en 1998 werden omvangrijke waterstaatkundige werken aangelegd, zoals de Brouwersdam tussen de eilanden Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland en de Oosterscheldekering. De Nederlandse delta werd daarmee stukken veiliger en Zeeland raakte beter ontsloten.

Beeld links: Monument en uitkijktoren op de Afsluitdijk van W.M. Dudok.

Meer bewegingsruimte

Aan het begin van de 21e eeuw is afscheid genomen van de traditionele benadering van waterbeschermende maatregelen. In plaats van alleen dijken te verhogen en te verstevigen, krijgt de rivier meer bewegingsruimte om buiten haar oevers te treden. Denk hierbij aan het verleggen van dijken of het graven van nevengeulen in de uiterwaarden. Meer dan voorheen is daarbij niet alleen de waterveiligheid maar ook de ruimtelijke kwaliteit een aandachtspunt; de ingrepen moeten het rivierengebied ecologisch, landschappelijk en economisch versterken. Een zelfde soort ontwikkeling doet zich voor op het gebied van kustveiligheid. In plaats van de kust te fixeren, wordt juist meebewogen met de dynamiek van wind en water. Dit is te zien aan de Noord-Hollandse kust, waar de 19e-eeuwse Hondsbossche Zeewering is ‘ingepakt’ in 35 miljoen kuub zand, waardoor een natuurlijk ogend, maar nieuw duinen- en recreatielandschap kon ontstaan.

Luchtfoto Overdiepse polderBeeld rechts: In het kader van Ruimte voor de Rivier is de dijk langs de Bergsche Maas (links) verlaagd. Bij hoogwater kan de Overdiepse polder overstromen. De boerderijen in de polder zijn gesloopt en verplaatst naar de dijk van het Oude Maasje. De nieuwe boerderijen met bijgebouwen staan op terpen.