Verdediging in de middeleeuwen

In de middeleeuwen organiseerden steden en gewesten hun eigen verdediging. Dit leidde tot de grootschalige aanleg van onder meer stadsmuren, kastelen, liniewallen en landweren.

Na de val van het Romeinse Rijk zou het tot de 16de eeuw duren voordat in Nederland weer een integraal verdedigingswerk werd aangelegd in de vorm van de Staats-Spaanse linies. In de tussengelegen periode was het ieder voor zich; verdedigingsmaatregelen werden per stad of gebied genomen. In de 11de en 12de eeuw vormde de lokale adel de voornaamste machthebber in de Nederlanden. Aanvankelijk hadden de Duitse keizers rechten op grondgebruik aan leenmannen uitgegeven in ruil voor militaire diensten. Dit systeem functioneerde eerst goed, maar latere generaties leenmannen voelden zich steeds minder schatplichtig aan de Duitse keizer. Ze kozen hun leenheer strategisch, op basis van welke Europese heerser hen de meeste vrijheid gunde om een eigen machtsbasis op te bouwen. Hiermee ontstond een elkaar bestrijdende ridderklasse die versterkingen om eigen gebieden aanlegde.

Kaart met de Sallandse landweerBeeld: in de 14de eeuw liet de bisschop van Utrecht de zuidelijke grens van zijn gebied ten oosten van de IJssel versterken om zich te beschermen tegen invallen van de hertog van Gelre. Hij deed dit door tussen Deventer en Holten een landweer aan te leggen. Door historische kaarten en moderne hoogtegegevens te vergelijken, kon deze landweer worden gereconstrueerd.

Kunstmatige heuvels en wallen

In eerste instantie werden binnen een omgrachting steile heuvels opgeworpen en bebouwd met een stenen ronde borstwering of toren. Een dergelijk mottekasteel was niet bedoeld om in te wonen, maar diende als veilig toevluchtsoord en machtssymbool met afschrikwekkende functie. De steile helling zorgde ervoor dat de versterking vrijwel onneembaar was voor paarden en ridders met zware wapenuitrustingen. Deze kunstmatige heuvels worden in Zeeland ook wel vliedbergen genoemd en in Friesland stinswieren. Andere verdedigingswerken die we soms nog steeds in het huidige landschap kunnen zien, zijn landweren. Een landweer is een laatmiddeleeuwse (vaak 14de of 15de-eeuwse) aarden wal die werd aangelegd om het grondgebied buiten een nederzetting te beveiligen. Landweren zijn zo’n twee meter hoog – en inclusief droge grachten aan weerszijden van de wal – vier tot tien meter  breed. De aarden wallen werden dicht beplant met doornstruiken en kreupelhout of soms met palissaden. Zo vormden ze flinke obstakels voor ongewenste bezoekers.  De meeste overblijfselen van landweren liggen in Limburg en op de zandgronden van Gelderland en Overijssel. Een groot deel van de circa 100 in Nederland gekarteerde landweren is geheel verdwenen

Burcht van LeidenBeeld: de Burcht van Leiden. Met vijandige Friezen en Zeeuwen die het gebied van twee kanten bedreigden, was de 12de eeuw in het graafschap Holland allesbehalve rustig. De graaf van Holland liet verschillende mottes aanleggen die hij aan leenmannen toevertrouwde. In de 12e eeuw werd in Leiden op de plek waar de Oude en de Nieuwe Rijn samenvloeien, een ronde burcht op een twaalf meter hoge motte aangelegd. In tegenstelling tot de meeste andere mottes, is de Burcht van Leiden min of meer in zijn oorspronkelijke vorm intact gebleven. Foto: Albert Speelman

Kastelen en stadsverdediging

De meeste mottes werden na 1200 vervangen door de latere middeleeuwse kastelen, waarbij de vesting op het maaiveld werd gebouwd, omringd door een waterhoudende gracht. Kastelen waren in eerste instantie verdedigingsbolwerken, maar hadden ook een woonfunctie. Ze werden meestal gebouwd in het midden van het grondgebied van de stichter of op een andere strategische plek bij een weg of rivier. Steden met stadsrechten bakenden hun grenzen af door middel van aarden – en later stenen – wallen, houten palissades, grachten en poorten. Deze wallen, muren en stadspoorten hadden niet alleen een militaire functie. Ze symboliseerden ook de autonomie en economische macht van een stad. In veel steden was de ruimte tussen de stadsmuren voldoende om eeuwenlang binnen de stadsmuren bij te bouwen. Andere steden, zoals 17de-eeuws Amsterdam waren genoodzaakt om als gevolg van een groeiende bevolking uit te breiden, waarbij de bestaande verdedigingswerken werden gesloopt en elders opnieuw werden opgebouwd.

Kasteel DoorwerthBeeld: kasteel Doorwerth ligt buiten de bebouwde kom van het plaatsje Doorwerth en in de uiterwaarden van de Nederrijn. Het was oorspronkelijk een versterkt woonhuis, dat werd uitgebreid met meerdere vleugels. 1260 werd het kasteel voor het eerst genoemd, toen het werd belegerd door de heer van Vianen en in brand werd gestoken. Door de eeuwen heen is het kasteel diverse malen hersteld en uitgebreid.