Vanaf 1500: droogmakerijen

Met de toename van de welvaart nam ook de behoefte aan meer landbouwgrond toe. In de 16e eeuw kwamen de eerste droogmakerijen tot stand.

Vanaf 1500 ontstond in toenemende mate een sterke behoefte aan landbouwgrond in de buurt van de steden. Dankzij nieuwe technieken was het mogelijk om meren droog te leggen. Dit gebeurde door middel van bemaling door windmolens. Niet alleen natuurlijke meren werden op deze manier drooggelegd, maar ook plassen in laag Nederland die door turfwinning waren ontstaan.

Droogmaking

Rond het droog te maken gebied werd een ringvaart gegraven met dijken aan weerszijden. Dan werd het water door windmolens – later met stoom-, diesel of elektrische gemalen – uit het meer in de ringvaart gepompt. Het drooggemaakte land werd vervolgens voorzien van afwateringssloten, waarna het werd verkaveld en in gebruik genomen. De droogmaking van plassen die waren ontstaan door vervening gebeurde vaak zonder ringdijken en een ringvaart aan te leggen. In dat geval werd het water direct op het al aanwezige boezemwater geloosd.

Molengang  LeidschendamBeeld: molengang van de Driemanspolder Leidschendam.
Een molengang is een rij van poldermolens die een polder droogmaakt en droog houdt. Elke molen is in staat om ongeveer tot een meter diep water weg te pompen. Bij diepere polders was het dan ook noodzakelijk om het water trapsgewijs omhoog te brengen.

Rationele inrichting

De vroegste droogmakerijen werden geïnitieerd door de plaatselijke adel. Later, in de 17e eeuw namen welgestelde kooplieden deze rol over. Zij vormden gelegenheidscombinaties of compagnieën. Op deze manier konden ze meer kapitaal vergaren en grote projecten opstarten. Onder meer de Beemster (1612), de Wijde Wormer (1620), de Purmer (1622), de Schermer (1635) en de Heerhugowaard (1630) werden door compagnieën drooggelegd. De verkaveling kenmerkt zich door een rationele opzet, rechte lijnen en een open landschap. Dat geldt vooral voor de Beemster, waar bij de aanleg van infrastructuur, dorpen en boerderijen, mathematische vormprincipes werden toegepast die niets meer met het onderliggende landschap te maken hadden. Wegen en weteringen werden in een rasterpatroon aangelegd, waarmee het landschap in een strak grid van vierkanten werd gerangschikt. Het vierkant als vormgevingsprincipe komt op alle schaalniveaus terug, bijvoorbeeld in de vorm van de in het gebied veel voorkomende stolpboerderijen met hun karakteristieke piramidevormige daken. Vanwege deze rationele inrichting en bijzondere vormgeving kreeg de Beemster in 1999 zelfs een plek op de werelderfgoedlijst van Unesco.

Historische kaart van de Beemster
Beeld: de Beemster na de drooglegging, Pieter van der Keere, 1617, collectie Rijksmuseum. Bekijk deze kaart in het groot via www.digitalecollectienederland.nl.

Vanaf de 19e eeuw

De eerste droogmakingsprojecten richtten zich op kleine, ondiepe meren. Naarmate de techniek zich verder ontwikkelde was het mogelijk om grotere droogmakerijen tot stand te brengen. Zo is de Haarlemmermeer pas in de 19e eeuw drooggemalen. Er kwamen betere technische middelen beschikbaar (bijvoorbeeld in de vorm van stoomgemalen) om dit soort omvangrijke projecten tot een goed einde te brengen. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw werd het Nederlandse landschap op een grootschalige manier opnieuw ingericht door onder meer ruilverkaveling, ontginning of droogmaking. Lees meer over dit soort ontwikkelingen in het artikel over 20e-eeuwse landinrichting.

Verkaveling van de HaarlemmerpolderBeeld: Verkaveling van den Haarlemmer Meer Polder, anoniem, 1852 - 186. Bekijk deze kaart in het groot op de website van het Rijksmuseum.