Van wederopbouw tot bloemkoolwijk: 1950 – heden

Na de Tweede Wereldoorlog was er een prangende woningnood. Bestaande steden werden in een hoog tempo uitgebreid.

In de laatste 60 jaar is er niet veel veranderd in het verspreidingspatroon van de steden. Er zijn enkele steden bijgekomen zoals Emmen, Zoetermeer, Almere en Nieuwegein. Deze werden gepland als groeikern om de ruimtelijke druk van de grote steden op te vangen. Onder de invloed van het explosief toenemende autoverkeer, de welvaartsgroei en de toenemende bevolking werden bestaande steden na de Tweede Wereldoorlog meer over de ruimte ‘uitgesmeerd’ en ontstonden er lappendekens van woonwijken, bedrijventerreinen en kantorenparken. Wonen was verreweg de belangrijkste functie van deze uitbreidingen. Steden en dorpen begonnen aan elkaar te groeien door de grootschalige suburbanisatie in lage dichtheden.

Wederopbouw

De stedenbouwkundige praktijk van na de Tweede Wereldoorlog week sterk af van die van voorgaande jaren. De wederopbouw was een centraal geleide operatie. De rijksoverheid bepaalde welke steden mochten groeien en op welke manier. Veel in deze stedenbouwkundige praktijk komt voort uit ideeën over stedenbouw en samenleving die voor de oorlog waren verwoord in modernistische kringen, met name binnen de CIAM (Congrès Internationaux d'Architecture Moderne). Cornelis van Eesteren vertaalde deze modernistische idealen in het ontwerp voor het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam, dat overal in Nederland navolging vond. De uitbreiding van Amsterdam van Van Eesteren is een schoolvoorbeeld van modernistische idealen in de naoorlogse stedenbouwkundige praktijk.

  • Het naoorlogse ideaal van goed wonen was gebaseerd op het principe licht, lucht en ruimte. Het gesloten bouwblok maakte plaats voor strokenbouw in het groen. Portieketageflats werden incidenteel afgewisseld met hoogbouw.
  • Functiescheiding: de functies van een stad (wonen, werken en recreatie) werden gescheiden en verbonden met een ruim netwerk van infrastructuur waarbinnen de verkeerssoorten op hun beurt ook van elkaar werden gescheiden.
  • De wijkgedachte is een ordeningsprincipe waarmee de grootschalige uitbreidingen overzichtelijk konden worden ingedeeld. Elke wijk had eigen voorzieningen zoals winkels, scholen en kerken. De wijken waren weer onderverdeeld in buurten met voorzieningen op loopafstand.
  • Demografie, economie en mobiliteit waren van grote invloed op het stedenbouwkundige ontwerp. Er werd door planologen gerekend aan onder meer vierkante meters, bevolkingsgroei, het aantal winkels per wijk, doelgroepen en woon-werkafstanden.
  • De opkomst van systeembouw. De woningnood na de Tweede Wereldoorlog was prangend. Daarom moest snel en goedkoop zoveel mogelijk woningen worden gebouwd. De toepassing van prefab-bouwsystemen werd door de overheid gestimuleerd. Zowel in de stedenbouw als in de architectuur trad een sterke uniformering op.

Pendrecht Rotterdam
Beeld: net als de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam was de wijk Pendrecht in Rotterdam een proeftuin waar de idealen van de CIAM in de praktijk werden gebracht. Pendrecht werd ontworpen door Lotte Stam-Beese.

Nota’s ruimtelijke ordening

De naoorlogse plannen van de overheid op het gebied van ruimtelijke ordening werden vastgelegd in beleidsnota’s. Hier stond in waar en wanneer steden mochten uitbreiden. De nota’s markeren verschillende naoorlogse perioden: de modernistische stadsuitbreidingen, woningbouw in de jaren 1970 en 1980 en de Vinexwijken. De nota’s Ruimtelijke Ordening van 1958 tot en met 1976 behandelden grotendeels dezelfde thema’s; de overheid wilde de snelle suburbanisatie in de randstad in banen leiden door de groei van steden in andere delen van het land te stimuleren. Zo werden in de Derde nota uit 1973 groeikernen aangewezen, zoals Groningen, Zwolle en Amersfoort. Deze steden moesten grote aantallen door het Rijk gesubsidieerde woningen bouwen.

Bloemkoolwijken

In de periode van de Derde nota kwam de bloemkoolwijk op als tegenreactie op het ver doorgevoerde modernisme en de grootschaligheid en uniformiteit van wijken zoals Pendrecht in Rotterdam of de Bijlmermeer in Amsterdam. De galerijflat viel in ongenade, en in de stedenbouw kwam de nadruk meer te liggen op kleinschaligheid en herkenbaarheid. De bloemkoolwijken hebben een labyrintisch karakter door hun onregelmatige structuur waar wegen en autovrije woonpaden – los van elkaar – doorheen kronkelen. Kenmerkend zijn de onregelmatige verkavelingen, verspringende rooilijnen, grachtjes met bruggen, herintroductie van baksteen en pannendaken en wisselende kapvormen.

Almere haven
Beeld: Almere in de jaren 1990. De kronkelende paden en hofjes laten de kleinschaligheid en herkenbaarheid zien die kenmerkend is voor stedenbouw na het modernisme.

Vinex

In de Vierde nota over de Ruimtelijke Ordening uit 1988 lag de focus niet meer op het spreidingsbeleid. De aandacht was verschoven naar de economische potenties van de 4 grootste steden. Met deze nota werd de decentralisatie ingezet. De stedenbouwkundige invulling van uitbreidingswijken werd overgelaten aan de gemeenten. In een vervolg op deze nota, de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra – kortweg Vinex genoemd – werden door bijna het hele land nieuwbouwwijken gepland. Als reactie op de onoverzichtelijke bloemkoolwijken kregen deze wijken en de architectuur een strakker, maar ook een afwisselender aanzien. Een spraakmakend voorbeeld was de Amersfoortse uitbreidingswijk Kattenbroek, waar verschillende thema’s werden bedacht waarmee ieder onderdeel van de wijk zich kon onderscheiden. ‘Theming’ van woonwijken is inmiddels wijdverbreid. Denk aan historische thema’s zoals in de wijk Castellum in Leidsche Rijn, geïnspireerd op een Romeins legerkamp of de 20e-eeuwse ‘vestingstad’ Haverleij  bij ’s Hertogenbosch.

Stedenbouw nu

Ook in de naoorlogse stedenbouwkundige praktijk zijn grofweg 2 methoden te onderscheiden:

  • De aanleg van nieuwe stadsuitbreidingen die in hun structuur weinig te maken hebben met het onderliggende landschap. Een voorbeeld hiervan zijn de modernistische wijken, maar ook de wijk Kattenbroek in Amersfoort.
  • In een andere methode is de onderliggende verkaveling juist wel leidend zoals in Nieuw-Sloten in Amsterdam of Prinsenland in Rotterdam het geval is. Daar worden de lange lijnen van de polder als uitgangspunt genomen voor het ontwerp.


Hoe ontwikkelen steden zich nu verder? Door de economische crisis is het aantal grootschalige stadsuitbreidingen sterk afgenomen en ligt de nadruk meer op de transformatie en verdichting van bestaand stedelijk gebied. Het moet blijken of deze beweging de komende jaren zal doorzetten.

Bijlmermeer Amsterdam

Beeld: in de Bijlmermeer in Amsterdam werd de functiescheiding van het modernisme op radicale wijze doorgevoerd.