Tot ca.1100: de eerste akkercomplexen

Na de introductie van landbouw vestigden mensen zich op vaste woonplaatsen en begonnen hun omgeving in te richten met kleine akkercomplexen.

Vanaf ongeveer 5300 voor Chr. deed in Nederland landbouw zijn entree. De oudste akkerbouw werd bedreven op löss. Niet lang daarna waren de zandgebieden aan de beurt. Zand- en lössgebieden waren aantrekkelijke vestgingsplaatsen en kennen dan ook de langste bewoningsgeschiedenis. Het was er hoog en droog en het landschap liet zich makkelijk ontginnen. Aanvankelijk werd de grond gebruikt totdat deze was uitgeput; daarna trokken mensen weer verder naar nieuwe plekken. Rond 700 voor Chr. kwam hier verandering in en ontstonden de eerste permanente nederzettingen.

prehistorisch wallensysteem op de Hoorneboegse Heide bij HilversumCeltic fields

De zogenaamde zwerflandbouw maakte plaats voor een systeem dat was gebaseerd op de aanleg van meer permanente, kleine akkercomplexen. Ze waren vierkant van vorm en lagen in raatvormige patronen naast elkaar, begrensd door dammetjes. Deze zogenaamde Celtic fields of raatakkers worden regelmatig opgespoord door middel van het Actueel Hoogtebestand Nederland waar hoogteverschillen in het landschap nauwkeurig in kaart zijn gebracht. Celtic fields komen onder meer voor in natuurgebieden in Brabant, Drenthe en Overijssel.

Beeld: op het Actueel Hoogtebestand Nederland is een prehistorisch wallensysteem ontdekt op de Hoorneboegse Heide bij Hilversum. Deze ruitvormige patronen in het landschap worden meestal aangetroffen in natuurgebieden omdat die minder verstoord zijn dan andere (agrarische) landschappen. Bron: Prehistorische raatakkers op de Hoorneboegse Heide bij Hilversum.

Terpen

terp van Hogebeintum, FrieslandEen groot deel van Laag-Nederland bestaat uit zeekleigebied. Het gaat om twee districten: het noordelijke (in de provincies Noord-Holland, Friesland en Groningen) en het zuidwestelijke (Zeeland en de Zuidhollandse eilanden). Het noordelijk zeekleigebied werd al vroeg bewoond. Hier ontstonden omstreeks 500 voor Chr de eerste nederzettingen. Deze werden op maaiveldniveau gebouwd. In de 4e eeuw voor Chr. begon men om de woonplaatsen te verhogen om zich te beschermen tegen overstromingen. Mensen wierpen kunstmatige woonheuvels op, zogenaamde terpen, werven of wierden. Eerst stond ieder huis op een eigen terp; later groeiden de huisterpen aan elkaar en ontstonden er grote dorpsterpen. De terpen ontstonden in grofweg vier perioden, variërend van ca. 500 voor Chr tot 1000 na Chr.

Beeld rechts: terp van Hogebeintum, Friesland

uitwaaierende verkaveling rondom Hogebeintum, FrieslandDe locatiekeuze van een terp werd bepaald door de mogelijkheden die de omgeving bood voor landbouw. Rondom de terpen werd de grond ontgonnen. Er ontstond een uitwaaierende verkaveling in de vorm van taartpunten, opgebouwd uit onregelmatig gevormde kavels die grotendeels de onderliggende landschappelijke structuren volgden. De hoogteligging en de waterhuishouding waren van groot belang. De akkers lagen zo hoog mogelijk, op de hogere oeverwallen en kwelderruggen. Ook de randen van de terpen zelf werden als akkerland in gebruik genomen. De weilanden bevonden zich op de lagere delen. Het is zwaar werk om de weerbarstige kleigrond in cultuur te brengen. Als de landbouwkavels eenmaal waren uitgerold, bleven ze meestal eeuwenlang in stand. Ze zijn dan ook vaak nog steeds zichtbaar in het landschap. Voorbeelden hiervan zijn Groot-Maarslag en Biessum.

Beeld links: uitwaaierende verkaveling rondom Hogebeintum in de gemeente Ferwerderadiel, Friesland

Wonen op stroomruggen

Ook het rivierengebied in Midden-Nederland en Limburg kent een lange bewoningsgeschiedenis. Het waren aantrekkelijke woongebieden met vruchtbare grond, een gevarieerd landschap en water in de buurt. Mensen vestigden zich op de hoogste plekken, op de oeverwallen en stroomruggen. Al in de Romeinse tijd kende het rivierengebied een vrij dichte bewoning. In de tweede helft van de 3e eeuw nam het bevolkingsaantal sterk af, waarschijnlijk als gevolg van de ineenstorting van het Romeinse rijk en verslechtering van de waterhuishouding. In de vroege middeleeuwen nam de bevolking weer toe en vond er vooral op de stroomruggen in het oostelijke rivierengebied herontginning plaats. Daarbij werden de hoogste delen van de stroomruggen verkaveld en als bouwland in gebruik genomen.

Essen

Deze nederzettingen en landbouwcomplexen vertonen veel gelijkenissen met de agrarische nederzettingen die zich in de loop van de middeleeuwen op het zand ontwikkelden. Hier kwamen gemeenschappelijke bouwlandcomplexen tot stand, zogenaamde essen, akkers of engen. Ze werden aangelegd op hoger gelegen terrein, dat in lange, smalle percelen werd verdeeld. In het huidige landschap zijn de essen vaak nog te herkennen aan hun hoge ligging. Menselijk ingrijpen speelt hierin ook een rol; intensieve plaggenbemesting heeft geleid tot geleidelijke ophoging van de akkers. De essen zijn ook te herkennen aan hun begrenzing in de vorm van een aarden wal met dichte beplanting. De omvang en aantallen van deze akkers zijn sterk afhankelijk van de structuur van het natuurlijke landschap en de vroegere bevolkingsdichtheid. De essen konden in grootte variëren van kleine individuele essen (éénfamilie-essen) tot grote dorpsessen.

Beeld: de Zuides, een groot open akkercomplex bij Gasteren, Drenthede Zuides