Ontginningstypen

Landbouwgebieden werden ingericht door een breed palet aan patronen of verkavelingsvormen toe te passen. De verschillende soorten verkaveling onderscheiden zich door hun regelmaat, vorm en schaalgrootte.

De gekozen vorm komt voort uit de eigendomssituatie en de praktische omstandigheden van de plek. Zo werden in laaggelegen gebieden sloten gebruikt om de kavels te begrenzen, terwijl in het hoger gelegen landschap de kavelgrenzen werden gemarkeerd door middel van singels, houtwallen of heggen. Grofweg geldt: hoe recenter de ontginning heeft plaatsgevonden, des te grootschaliger. Naast de – vaak oude – onregelmatige ontginningen komen blokvormige, strookvormige en streepvormige verkavelingspatronen voor. De verschillende verkavelingsvormen laten zich lezen als een geschiedenisboek. Het ontginningslandschap biedt een schat aan informatie over zaken als bevolkingstoename- en afname, veranderingen in grondbezit en waterhuishouding. Hieronder zijn 14 voorbeelden op een rij gezet.

De onderstaande afbeeldingen zijn kaartuitsneden uit Topotijdreis.nl. Klik op de kaartjes om ze in een groot venster te openen.

Grondsoort Ontginningstype Periode van ontginning Voorbeeld
Duin Duinen en duinontginningen Vanaf ijzertijd, met incidentele oudere bewoning Duinen en duinontginningen Noord-Holland
Rivierklei Stroomrug- en komontginningen Vanaf ijzertijd, met incidentele oudere bewoning Stroomrug en komontginningen Gelderland
Zeeklei Oudere zeekleipolders Vanaf ijzertijd Oude zeekleipolders bij Delfzijl
Oude en jonge zeekleipolders Zuid-Beveland
Zeeklei Recente zeekleipolders Late middeleeuwen tot 20 eeuw Jonge zeekleipolders kust Groningen
Zeeklei / veen Droogmakerijen 1532-1968 Droogmakerijen Noord-Holland
Veen Veenontginningen 9e tot 15e eeuw, met incidentele oudere bewoning Cope-ontginningen Utrecht
Opstrekkende veenontginningen Staphorst-Rouveen
Veen / zand Veenkoloniën 12e tot 21e eeuw Veenkoloniën
Zand Kampontginningen met plaatselijk essen Vanaf neolithicum (4300 v.Chr.) Kampontginningen met plaatselijk essen
Zand Rivierterrasontginningen Vanaf neolithicum (4300 v.Chr.) Rivierterrasontginningen
Zand Heideontginningen en bossen Vanaf 1850 na Chr. Jonge heideontginning met bos (na 1850)
Krijt / löss Lössontginningen Vanaf neolithicum (4300 v.Chr.) lössontginningen

Bron: S. Barends et al, Het Nederlandse Landschap. Een historisch-geografische benadering. Utrecht, 2010 (10e druk)

Duinen en duinontginningen

Het gebied tussen Egmond en Bergen kenmerkt zich door een flink stuk jonge duinen, met direct erachter een strook dorpen op oude duinen met akkers (‘geesten’). Op weinig plaatsen zijn deze middeleeuwse akkercomplexen nog vrij gebleven van bebouwing, maar in dit gebied bij Wimmenum ligt er nog een aantal. Langs de dorpen loopt al sinds de middeleeuwen verbindingsweg de Heerweg, geflankeerd door kastelen, kloosters en buitenplaatsen. De jonge duinen hebben op enkele plaatsen oudere nederzettingen overstoven. Direct ten oosten van de nederzettingen ligt een lager gelegen gebied, de met klei en veen opgevulde strandvlakte. Hier lagen vanouds de weidegebieden. Ook treffen we daar enkele oude droogmakerijen aan (Berger- en Egmondermeer). In de duinen bij Egmond aan Zee ligt een zeedorpenlandschap, met kenmerkende kleine duinakkertjes met zandwalletjes eromheen. Hier werd op kleinschalige wijze door de bewoners van het kustdorp wat aardappelen en uien verbouwd. De dorpen zijn de afgelopen decennia flink gegroeid, maar de duinen zelf genieten bescherming als natuur- en recreatiegebied. Delen van de bosgebieden zijn oude boskernen van voor 1850.

kaartbeeld tussen Egmend en Bergen van 1900
1900
2016

Stroomrug en komontginningen

Waardenburg, Neerijnen en Opijnen zijn dorpen in de Tielerwaard en liggen op een stroomrug van de Waal. Het zijn zogenaamde gestrekte dorpen: langgerekte nederzettingen waarvan de bebouwing aan twee of drie evenwijdig lopende straten ligt. Deze uitgangssituatie is nog steeds goed herkenbaar, al is Waardenburg door de aanleg van de spoorbrug min of meer gehalveerd. Op de vruchtbare ruggen en vooral op de overslaggronden zijn veel boomgaarden te vinden. De Rijswaard langs de Waal kent veel waardevolle beplanting in de vorm van grienden, hakhout van es, heggen en knotwilgen. Ten noorden van de dorpen liggen de komgebieden, die tot aan de naoorlogse periode grotendeels onbebouwd waren gebleven. Hier lagen eendenkooien en grienden, Verder dienden ze als opvang voor het teveel aan water in het winterseizoen. De ruilverkaveling Tielerwaard-West had een blijvende impact. Verlaging van waterpeil, aanleg van wegen en bouw van nieuwe boerderijen zorgde voor een ingrijpende structuurverandering, al is de hoofdstructuur van weg- en waterlopen nog altijd goed herkenbaar. Aan de westzijde van de spoorlijn en de A2 is veel bedrijvigheid geconcentreerd. Ook de Betuwelijn en de A15 zijn doorkruisen de historische structuren.

Kaartbeeld van Waardenburg, Neerijnen en Opijnen van 1900
1900
Kaartbeeld van Waardenburg, Neerijnen en Opijnen van 2016
2016

Oude zeekleipolders bij Delfzijl

De oude zeekleipolders ten westen van Delfzijl zijn al vanaf de ijzertijd bewoond. Om bij stormen en hoge vloeden droge voeten te houden, wierp men terpen (of wierden) op. Sinds de middeleeuwen werden ze via dijken met elkaar verbonden, waardoor de gebieden uiteindelijk van de zee werden afgesloten, en de tussengelegen gebieden ook bewoond konden worden. De voorheen zeer extensief bewerkte gebieden konden na de bedijking ook intensiever benut worden. De oude gebiedsgrenzen zijn nog intact. Zo is de oude waterloop Uitwierdermaar nog altijd de grens tussen Delfzijl en Appingedam. Dit fragment laat drie wierdedorpen zien: Uitwierde, Biessum en Marsum. Kenmerkend voor veel terpdorpen in het noorden is de radiaire verkaveling vanaf de terp, die vooral bij Biessum goed te zien is. Verder is het gebied onregelmatig, vaak in blokken en stroken verkaveld. Rond de wierden loopt de zogenaamde ossenweg, waarover het vee vanuit de boerderijen het land van de boeren konden bereiken. Behalve bij Biessum – waar de bebouwing van Delfzijl de rand van de wierde heeft bereikt, is het landschap tussen 1900 en 2000 niet heel veel veranderd. 

Kaartbeeld van Uitwierde, Biessum en Marsum rond 1900
1900
Kaartbeeld van Uitwierde, Biessum en Marsum rond 2016
2016

Oude en jonge zeekleipolders Zuid-Beveland

Het door een oude dijk omsloten ‘oudland’ van de kerkringdorpen Nisse en Sinoutskerke (beide ook met een vliedberg) werd al in de middeleeuwen (rond 1300) ontgonnen en bedijkt. Een vorm van defensieve bedijking, waarbij men dus het bestaande land beschermde tegen de zee. De percelen werden begrensd met meidoornhagen en het verkavelingspatroon was zeer onregelmatig. De Notenboomdijk, Valdijk en Koedijk begrenzen de oude polders. Tussen Heinkenszand en het oude land van Nisse liggen de offensieve bedijkingen: de jonge zeekleipolders. Deze zijn grootschaliger en veel opener. De diverse dijkschillen markeren de verschillende inpolderingen. Door 20e-eeuwse ruilverkaveling en schaalvergroting is het contrast tussen oud en nieuw deels uitgewist. Ook in het oude land treffen we nu grote blokvormige percelen aan. De kenmerkende meidoornhagen vinden we alleen nog in de reservaatgebieden rond Nisse (Sluishoek) en Sinoutskerke (De Poel). Kenmerkend zijn de boomgaarden die het landschap zowel in de jonge als in de oude zeekleipolders domineren.

1915
2016

Jonge zeekleipolders kust Groningen

De jonge zeekleipolders zijn veel strakker en regelmatiger verkaveld dan de oude zeekleipolders, waar de relatie met het oude kwelderlandschap vaak nog zichtbaar aanwezig is. Er bestaan veel regionale verschillen, maar zeekleipolders zijn over het algemeen regelmatig en rechthoekig. In het noorden van Groningen – aan de kust van de Waddenzee – herkennen we de fasegewijze inpolderingen. De dijken markeren de verschillende fasen, en dragen dus in belangrijke mate bij aan de afleesbaarheid van de geschiedenis van de inpoldering. De laatmiddeleeuwse dorpen Kloosterburen en Hornhuizen liggen op oude kwelderwallen, die in de 12e eeuw met een dijk verbonden zijn. De polders ten noorden van deze dijk zijn pas na 1800 op de Waddenzee veroverd. Dit proces van landaanwinning is tot in de 20e eeuw doorgegaan, al zijn de op de kaart ingetekende percelen nooit definitief ingepolderd. Rond de boerderijen staan flinke windsingels, de enige beplanting in dit verder open landschap.

1930
2016

Droogmakerijen Noord-Holland

Droogmakerijen zijn kenmerkend voor lage delen van Nederland en komen in verschillende soorten en maten voor. Kenmerkend is hun diepe ligging: het zijn immers drooggelegde voormalige meren. Deze konden een natuurlijke oorsprong hebben, maar ook zijn ontstaan als gevolg van menselijk handelen (turfwinning). In Noord-Holland komen veel droogmakerijen voor, waarvan de Beemster en de Schermer de bekendste zijn. Dit kaartbeeld laat twee minder bekende exemplaren zien: de Starnmeerpolder (17e eeuw) en de Graftermeer (tweede helft 19e eeuw). Beide droogmakerijen kennen een typerende regelmatige structuur, met rechte wegen waarlangs boerderijen liggen. De droogmakerijen contrasteren met het aanliggende veenland van West- en Oost-Graftdijk, een grotendeels middeleeuws landschap met onregelmatige percelen en brede (uitgebaggerde) sloten.

1900
2016

Cope-ontginningen Utrecht

Cope-ontginningen zijn agrarische veenontginningen. Het gaat om gebieden die in opdracht van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht in de periode 950-1300 zijn ontgonnen. De kavels hebben vaste afmetingen en zijn op de kaart goed te herkennen. Ze zijn begrensd door wegen en waterlopen, vaak met houtkaden. De dorpen Kockengen en Teckop liggen langs kaarsrechte ontsluitingswegen en op elke afzonderlijke kavel staat een boerderij. Bij de boerderij liggen ‘geriefhoutbosjes’, waaruit hout voor eigen gebruik werd gehaald. Ook verspreid in het landschap lagen kleine bosschages (pestbosjes, huftbosjes, koebochten). Ondanks enkele veranderingen is de hoofdstructuur van dit landschapstype nauwelijks is gewijzigd. In de meeste gevallen is het middeleeuwse patroon nog intact, wat zeer uitzonderlijk is.

1900
2016

Opstrekkende veenontginningen Staphorst-Rouveen

Het nederzettingslint Staphorst-Rouveen is een schoolvoorbeeld van een opstrekkende veenverkaveling, waarbij de bewoning een aantal keren mee is verhuisd. Het Zwarte Water en het Meppelerdiep vormden de oudste ontginningsbasis van Staphorst/Rouveen. Onder invloed van het systeem van vererving, waarbij de kavels in de lengterichting werden gesplitst, ontstonden zeer smalle percelen. De kavels werden in de 18e eeuw zo smal dat bewoning op de eigen kavel niet mogelijk was. Veel boerderijen werden daarom achter elkaar op een kavel gezet. Kenmerkend voor de smalle kavels waren de elzensingels, die de percelen omzoomden. Zowel Staphorst als Rouveen is in vier slagen (perioden van ontginning) opgedeeld. Vanaf de ontginningsas werd het gebied vervolgens in een opstrekkende verkaveling ontgonnen. Leidijken en zijdwenden werden aangelegd voor een goede waterafvoer van het hoger gelegen onontgonnen veen. Het landschap in de omgeving van Giethoorn en Staphorst is in de jaren twintig ingrijpend gewijzigd. Van de 13.000 perceeltjes bleven er na de verschillende ruilverkavelingen zo'n 1900 over. De beplanting is hierbij hoofdzakelijk gerooid, al is de oude structuur op enkele plekken nog wel herkenbaar.

1900
2016

Veenkoloniën

Het welvaren van Holland in de 17e eeuw was voor een belangrijk deel te danken aan de goedkope energie, die werd geleverd door de grote hoogvenen in het noorden van de Republiek. Kiel-Windeweer is een mooi voorbeeld van een 17e-eeuwse veenkolonie in het voormalige hoogveengebied van Groningen en Drenthe. Kiel-Windeweer behoort tot het meest eenvoudige type: één hoofdkanaal, met loodrecht daarop de wijken. Het oorspronkelijke landschap is nog nauwelijks herkenbaar, enkel in het zuidoosten van Drenthe is nog een deel van het oorspronkelijk hoogveenmoeras behouden (Bargerveen). De percelering bestond uit grote strookvormige kavels (de ‘plaatsen’) die door wijken van elkaar gescheiden werden. De kavels zelf werden door zwet- en dwarssloten weer onderverdeeld in kleinere percelen. Deze zijn op veel plaatsen door samenvoeging van de percelen verdwenen. De wijken en kanalen bepalen nog altijd de hoofdstructuur van het landschap. Kenmerkend is de lineaire bebouwing langs de kanalen en wegen. Daartussen bevinden zich de grote open ruimten.

1920
2016

Kampontginningen met plaatselijk essen

Het landschap ten oosten van de stuwwal van Oldenzaal lijkt veel op het oorspronkelijke natuurlijke landschap. Waar natuurlijke hoogten (dekzandkoppen) voorkwamen, ontstond verspreide bewoning met kleine, afgeperkte stukjes akkerland (kampen). Deze liggen in een strekkend noord-zuid patroon aan de westzijde van de Dinkel. Waar bredere dekzandwelvingen – en in dit geval ook de flanken van stuwwallen – voorkwamen, konden grotere akkercomplexen ontstaan (Molthover esch). De nattere beekdalen van de Dinkel werden gebruikt als hooi- en weidegrond. Binnen het landbouwsysteem op de zandgronden namen de woeste gronden een zeer belangrijke plaats in. Deze dienden als leverancier van plaggen en men liet er schaapskudden grazen. Het wegennet ontwikkelde zich in relatie met de nederzetting en de bouwlanden. Dit landschap kenmerkt zich verder door aanwezigheid van veel beplanting langs de wegen en rond de akkercomplexen. Bij de oude boerderijen liggen kleine bosgebiedjes, met hoge cultuurhistorische en ecologische waarde.

1950
2016

Esdorpenlandschap Drenthe

De Drentsche Aa is nog altijd kenmerkend voor het oude Drentse esdorpenlandschap. Tussen heide en beekdalen liggen de oude brinkdorpen Loon, Rolde en Anderen met hun akkers (essen). De bewoning in de dorpen gaat terug tot aan de prehistorie. In de omgeving van de dorpen liggen veel sporen terug uit vroeger tijd, zoals hunebedden, grafheuvels, urnenvelden, celtic fields en karrensporen. De essen waren in gemeenschappelijk bezit van de boer-marke, net als de beekdalen (weide en hooilanden) en de heidevelden (plaggen). De beekdalen hebben een zeer smalle verkaveling, gescheiden door houtwallen. Dit is rond 2016 nog wel herkenbaar, maar sterk geërodeerd. Het Balloërveld is nog grotendeels heide, ook dankzij decennialang militair gebruik als oefenterrein. De essen zijn nog goed te onderscheiden, maar deels bebouwd. Hun interne structuur is wel flink gewijzigd, het versnipperde eigendom is door ruilverkaveling afgenomen.

1900
2016

Rivierterrasontginningen

Kenmerkend voor dit landschapstype is de aanwezigheid van terrassen, een soort treden, ontstaan doordat de Maas zich in de loop van de tijd heeft ingesneden in het landschap. Het is een zeer smalle strook aan weerszijden van de Maas, slechts enkele kilometers breed. Bij Kessel ligt het terras ongeveer 25 meter hoog en gaat via een scherpe terrasrand over in het oostelijke daarvan gelegen dekzandlandschap, dat nog eens 5 meter hoger ligt. De akkers liggen in complexen bijeen, op de trede van het terras. Hier bevindt zich vanouds ook de bewoning, in het geval van Kessel ook direct aan de rivier de Maas. Omdat de hogere gelegen terrassen vaak direct aan de rivier grenzen, treffen we hier niet overal dijken aan.

1900
2016

Jonge heideontginning met bos(na 1850)

De Jekschotse Heide in Noord-Brabant is een mooi voorbeeld van een jonge heideontginning, met kaarsrechte wegen en grote percelen. De beplanting – vooral de wegbeplanting – is sterk bepalend voor het karakter van dit landschap. Rond 1870 was het nog een echt heidelandschap met vennetjes. Rond 1880 begon men vanaf de omliggende dorpen het gebied te ontginnen. Pas na 1950 is het hele gebied ontgonnen en rest van de heide helemaal niets meer behalve de namen op de kaart.

1920
2016

Lössontginningen

Er bestaat een grote genetische en ruimtelijke samenhang tussen de verschillende elementen en patronen in het heuvelland van Zuid-Limburg. De bewoning concentreerde zich vanouds in de dalen van de verschillende riviertjes. Bij Eys stroomt de Eyserbeek, die weer in de Geul uitkomt. De oudste vormen van bewoning treffen we dan ook in deze dalen aan, net als de oudste boerderijen en kastelen (Goedenraad). Kenmerkend voor dit kaartbeeld is het grote aantal droge zijdalen ten noorden van het dorp Eys, waar de lokale wegen doorheen lopen. Op de steile hellingen werden graften aangelegd om de grond tegen erosie te beschermen. Ook zien we enkele kenmerkende holle wegen. Via de droge dalen werden in de middeleeuwen de hogere plateaus bereikt en ontgonnen (zoals Eyserheide). Hier vinden we nog altijd grote akkercomplexen, met vrijstaande boerderijen. Deze boerderijen maakten veelal deel uit van grootgrondbezit, zoals de Eyserhof. De steilste hellingen bleven ongemoeid en zijn nog altijd bebost.

1930
2016