Industrialisatie en nieuwe stadsvormen: 1850 – 1950

Door de industrialisatie werden voor het eerst sinds de middeleeuwen nieuwe steden gebouwd. Economische en demografische groei leidde opnieuw tot grootschalige uitbreidingen.

Aan het begin van de 19e eeuw kwam het Koninkrijk der Nederlanden tot stand met een centraal bestuur dat in Den Haag zetelde. Met de ingrijpende grondwetswijziging van Thorbecke uit 1848 werd het beleid verder gecentraliseerd. Dit betekende het einde van onafhankelijke stadsbesturen. Aanvankelijk liet de overwegend liberale overheid economische en maatschappelijke ontwikkelingen aan de markt over (laissez-faire-politiek). Tussen 1850 en 1900 trad onder meer door de opkomst van het socialisme en de aandacht voor hygiëne en gezondheid een geleidelijke verandering op. De overheid ging zich steeds actiever bemoeien met ruimtelijke zaken zoals de uitbreiding van steden, infrastructuur en woningbouw.

Ruimtelijke omwentelingen

Pas omstreeks 1870 begon in Nederland de industrialisatie. Er werden tal van nieuwe industriesteden opgetrokken zoals Tilburg, Enschede, Eindhoven en IJmuiden. De industrialisatie leidde daarnaast tot een hernieuwde bloei in steden buiten Holland, zoals Breda, Groningen en Nijmegen. Ruimtelijke ontwikkelingen volgden elkaar razendsnel op. Ook nu was de infrastructuur bepalend voor de ontwikkeling van het stedenpatroon:

  • Binnen het groeiende netwerk van spoorwegen fungeerden de bestaande steden als knooppunten. Door de komst van spoorwegstations veranderden de stadscentra ingrijpend. De locatie van het station beïnvloedde de richting waar de uitbreidingen plaatsvonden en waar het zwaartepunt van het stadscentrum kwam te liggen. Veel steden kregen een nieuwe oriëntatie, van het water naar het spoor.
  • De slechting van vestingwerken zorgde voor een minder harde grens tussen stad en platteland. De barrière die de stad eeuwenlang van het platteland had gescheiden, maakte plaats voor nieuwe uitbreidingen. Vaak bleven de vestinggrachten wel intact zodat het oude stadscentrum duidelijk herkenbaar bleef. Soms werden daar groene ‘wandelingen’ gecreëerd, in andere gevallen werd de grond gebruikt voor woningbouw en industrie.
  • In dezelfde periode kwamen de suburbanisatie en het forensisme op. Dit resulteerde in nieuwe steden met wonen als hoofdfunctie. Zo ontstonden er behalve industriesteden ook woonsteden zoals Apeldoorn en Hilversum en villaparken rond dorpen zoals Bloemendaal en Zeist.

de industriestad Enschede kort na 1900. In het hart is de oude kerktoren te zien, omringd door een woud aan schoorstenen
Beeld: de industriestad Enschede kort na 1900. In het hart is de oude kerktoren te zien, omringd door een woud aan schoorstenen.

19e-eeuwse stedenbouwkundige praktijk

De 19e-eeuwse uitbreidingen waren vaak het werk van particuliere ondernemers. Soms waren dat weldenkende projectontwikkelaars die het beste met hun stad voor hadden. In andere gevallen waren het louche ondernemers die door middel van speculatiebouw zoveel mogelijk geld wilden verdienen. De 19e-eeuwse stedenbouw is dan ook zeer divers in verkavelingsvormen, dichtheid en soorten bebouwing. Het beeld loopt uiteen van zeer ruim opgezette villawijken op onregelmatige kavels tot eindeloze rijen gestapelde woningen langs smalle straten die zonder al te veel aanpassingen in de polderstructuur werden aangelegd. Met de revolutionaire Woningwet van 1901 werd de vrijheid van particuliere initiatiefnemers aan banden gelegd.

De Woningwet

De industrialisatie resulteerde niet alleen in een welgestelde middenklasse maar ook een arbeidende onderklasse die in barre omstandigheden in de steden moest leven. In de 19e eeuw begon de burgerij zich het lot van de stedelijke onderklasse aan te trekken. Veel artsen bekommerden zich om het lot van de arbeidersklasse. De eerste woningbouwverenigingen bouwden vanaf 1850 op kleine schaal betere woningen voor arbeiders. Deze ontwikkeling kreeg een extra impuls door de opkomst van het socialisme. Uiteindelijk leidde dit tot de invoering van de Woningwet in 1901. Hiermee waren gemeenten met meer dan 10.000 inwoners verplicht om uitbreidingsplannen te maken om de volkshuisvesting te kunnen organiseren. Met nieuwe bouwregelgeving werden minimumeisen aan woningen gesteld. Daarnaast konden woningbouwverenigingen aanspraak doen op een lening van het Rijk. De introductie van de Woningwet viel samen met een periode van economische bloei die zou duren tot 1929. Nederland profiteerde van de neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog. Steden werden uitgebreid door middel van zorgvuldig geplande, omvangrijke arbeiders- en middenstandswijken.
Uitbreidingsplan Enschede door A.H. op ten Noort, 1904
Beeld: plan voor de uitbreiding van Enschede door A.H, op ten Noort uit 1904, ingetekend en bijgewerkt op een kaart uit 1914. Bron: Stadsarchief Enschede.

Uniformiteit en massaproductie

In de 20e eeuw kregen gemeenten en het Rijk steeds meer grip op de stedenbouwkundige praktijk. Gemeentelijke diensten voor Publieke Werken stelden een algemeen uitbreidingsplan op. Daarnaast ontwikkelden woningbouwcorporaties zich tot professionele opdrachtgevers van steeds grotere woningcomplexen. Ook kwam de massaproductie op. Dit alles leidde tot meer uniforme uitbreidingsplannen met zonering van functies en de aanduiding van verschillende typen woonwijken. De vorm van de stedenbouw kwam los te staan van de landschappelijke ondergrond en werd steeds meer afhankelijk van wet- en regelgeving. Veel wijken kregen een geometrisch opgezet stratenplan. Stedenbouw en architectuur werden in samenhang met elkaar ontworpen.