20e-eeuwse landinrichting

Een groot deel van het Nederlandse landschap is in de 20e eeuw door ruilverkaveling, ontginning of droogmaking opnieuw ingericht.

Vanaf de 19e eeuw ontstonden een aantal typen landschappen waarvan de ruilverkaveling, de ontginningen van heide, moeras, stuifzanden en duinen en de recente zeekleipolders (IJsselmeerpolders) voor de agrarische sector verreweg de grootste impact hebben gehad. Door de beleidsmatige aandacht van de laatste jaren voor wederopbouwgebieden, is er steeds meer aandacht voor 20e-eeuwse ingrepen in het landschap. Zo zitten er bij de 30 aandachtsgebieden wederopbouw die door het Rijk zijn aangewezen, zeven landelijke gebieden.

Fietsers bij Rhenen
Recreatie nam in de 20e eeuw sterk toe,
zoals hier bij Rhenen

Maatschappelijke omwentelingen

Het omslagpunt van het oude naar het ‘jonge’ landschap ligt halverwege de 19e eeuw. Sinds die periode spelen een aantal ontwikkelingen die een grote weerslag hebben gehad op het cultuurlandschap:

  • Geloof in een maakbare samenleving. Het vooruitgangsdenken, technische innovaties en een toenemende kennis van het gedrag van bevolkingsgroepen was van sterke invloed op de ruimtelijke inrichting. De rijksoverheid voerde een strakke ruimtelijke regie. Dit sloeg om tegen het einde van de 20e eeuw, toen er twijfel ontstond over die maakbaarheid en er juist decentralisatie plaatsvond.
  • Toename mobiliteit. Het grootste deel van het spoorwegennetwerk werd al voor de Tweede Wereldoorlog uitgerold. In de tweede helft van de 20e eeuw werd het snelwegennetwerk sterk uitgebreid. Traditioneel bestond het verkeer uit woon-werkverkeer en goederenvervoer. Vanaf de jaren zestig kregen recreatie en ontspanning een belangrijk aandeel.
  • Ontkoppeling van de landbouw met het landelijk gebied. De agrarische sector nam in de loop van de 20e eeuw in belang af en werd minder bepalend voor het landschap. Door mechanisatie en schaalvergroting verminderde het aantal werknemers in de landbouw, terwijl functies als verkeer, Natuurbehoud en recreatie een sterke groei doormaakten en de nodige ruimte opeisten.
  • Opkomst van natuurbehoud en natuurontwikkeling. De verschillende vormen van natuurbehoud die sinds ongeveer 1900 opkwamen, richtten zich op de instandhouding van de natuur. In de tweede helft van de 20e eeuw werd ingezet op een actievere koers. Waar eerst nog woeste grond werd omgevormd tot landbouwgebied, vindt het tegenovergestelde plaats; cultuurlandschap werd weer teruggegeven aan de natuur.
  • Opkomst van recreatieve functies. Vanaf de jaren zestig komt er steeds meer aandacht voor de rol die landschap kan spelen in de vrije tijd van de stadsbewoners. Op dat moment krijgt het landelijk gebied behalve landbouw ook andere functies en wordt het ingericht voor de (stads)bewoner om te recreëren.
Promotie-affiche ruilverkaveling
Promotie-affiche voor ruilverkaveling

Ruilverkaveling

Ruilverkaveling is het opnieuw indelen van landbouwpercelen om zo per eigenaar zoveel mogelijk aaneengesloten land te krijgen. Ruilverkaveling nam een aanvang met de ruilverkavelingswet uit 1924. Het was de oplossing van de overheid om de versnippering van landbouwgrond tegen te gaan en de agrarische sector te moderniseren. Ook werden omvang, vorm en toegankelijkheid van de percelen doelmatiger gemaakt en werd de waterhuishouding verbeterd. In de jaren dertig werd ruilverkaveling soms uitgevoerd in het kader van werkverschaffing. Oorlogsschade en de watersnoodramp van 1953 vormden de directe aanleiding voor grootschalige ruilverkaveling in Zuidwest-Nederland in de jaren vijftig en zestig.

Het nieuwe ‘rationele’ landschap dat door ruilverkaveling ontstaat, vertoont in sommige gevallen overeenkomsten met de oorspronkelijke verkaveling. In dat geval is bij het ontwerp bewust uitgegaan van bestaande kwaliteiten. Daardoor heeft bijvoorbeeld een versterking van de oude karakteristieken, zoals boomlinten, dijkjes en bosschages plaatsgevonden. In andere gebieden zijn dit soort authentieke landschapselementen juist volledig uitgewist. Enkele markante ruilverkavelingslandschappen zijn inmiddels aangewezen als aandachtsgebieden uit de wederopbouw.

    Ontginningen

    Ontginning is het transformeren van voorheen onbewoonde en ‘woeste gronden’ tot landbouwgrond. Door de opkomst van kunstmest aan het einde van de 19e eeuw kon een veel groter oppervlakte ingericht worden als landbouwgrond. Op grote schaal werden heidevelden, zandverstuivingen en veengronden omgevormd, wat duizenden hectares opleverde aan nieuwe landbouwgrond en bossen met nieuwe wegen, boerderijen en dorpen. De ontginningen kwamen voort uit een krachtig vooruitgangsgeloof, het ideaal van de maakbare samenleving en een sterke regie vanuit de rijksoverheid.

    Kenmerkend voor dit landschap is de sterk rationele en rechtlijnige opzet, gericht op een vrijwel volledig gebruik van de grond voor landbouw of bosbouw. In de vaak door Staatsbosbeheer uitgevoerde bosaanleg domineren de Oostenrijkse en Corsicaanse den: soorten die goed aansloegen op arme zandgrond. Toen het belang van productielandschap afnam en recreatie als functie in opkomst was, werd het naaldhoutbestand deels vervangen door een grotere variatie waarin loofbomen een veel grotere rol spelen. De opkomst van recreatieve functies en een nieuwe waardering voor natuurgebieden in de jaren zestig, betekende het einde van de ontginning van woeste gronden. Het denken over beheer van de natuur schoof recent nog verder op waarbij landbouwgrond juist weer aan de natuur wordt teruggegeven.

    Noordoostpolder
    Noordoostpolder

    Recente zeekleipolders

    De landwinning in de vorm van zeekleipolders kent twee typen: inpoldering van opgeslibde kwelders of droogmaking van delen van de zee. Bij droogmaking wordt land gewonnen door de aanleg van een ringdijk en vervolgens het water binnen die ringdijk weg te pompen. Het drooggemaakte land werd vooral voor landbouw gebruikt, bij de laatste droogmaking (Zuidelijk Flevoland) waren wonen, recreatie en natuur ook belangrijke grondgebruikers. In de 20e eeuw werd een groot oppervlakte land op zee gewonnen in de vorm van de IJsselmeerpolders. De afsluiting van de Zuiderzee is uitgevoerd naar het plan van Cornelis Lely uit 1891 en vond plaats van 1930 tot 1968. Achtereenvolgens werden de Wieringermeer, de Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland aangelegd. De belangrijkste aanleiding voor de afsluiting van de Zuiderzee was veiligheid. De overstromingen van 1916, die vooral Noord-Holland en Overijssel zwaar troffen, gaven de doorslag. Ook was er behoefte aan vruchtbare landbouwgrond. Vanwege de moeilijkheden met de voedselvoorziening in de Eerste Wereldoorlog ontstond de wens om zelfvoorzienender te worden.

    De inrichting van de vier IJsselmeerpolders illustreert de toenmalige opvattingen over de inrichting van nieuw land. Omdat die inrichting sterk centraal vanuit het Rijk geleid werd, kent elk van de polders een grote mate van homogeniteit. Het meest tot de verbeelding spreekt de – van hoofdlijnen tot details ontworpen – inrichting van de Noordoostpolder. Deze kwaliteit is inmiddels breeduit erkend en vormde aanleiding om deze polder als één van de markante gebieden uit de periode van de Wederopbouw aan te wijzen.

    Bekijk ook de filmpjes van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over ruilverkaveling: