1100 – 1600: zwoegen in het veen

Vanaf de vroege middeleeuwen nam de bevolking toe en begon men om veengebieden op grote schaal te ontginnen.

Veengebieden werden pas relatief laat bewoond. Het waren onaantrekkelijke plekken om te wonen omdat ze nat zijn en moeilijk in cultuur te brengen. In de buurt van Texel vonden omstreeks 800 na Chr. de eerste veenontginningen plaats. Daarna volgden grootschalige ontginningen in Friesland en Groningen.

Cope-ontginningen

In de 11e eeuw werd gedurende een periode van ongeveer 300 jaar in hoog tempo het Hollands-Utrechtse veengebied in cultuur gebracht: de Grote Ontginning. Initiatiefnemers waren de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht die hun rechten op dit onontgonnen veengebied lieten gelden. Zij stimuleerden de grootschalige ontginning omdat deze gronden – eenmaal in cultuur gebracht – veel meer opbrachten. Het landschap werd verdeeld in langgerekte kavels met vaste maten van circa 1200 bij 120 meter. Het contract of ‘cope’ dat de ondernemende kolonisten sloten met genoemde landheren, komt terug in verschillende plaatsnamen in dit gebied. Denk aan Boskoop, Willeskoop, Teckop en Reijerskoop. De plaatsnaam Kockengen stamt uit dezelfde tijd en betekent luilekkerland: een lokkertje voor potentiële ontginners.

het lintdorp PortengenBeeld: het lintdorp Portengen, een voorbeeld van langgerekte kavels die kenmerkend zijn voor cope-ontginningen. Bron: www.vensteropdevecht.nl.

Turfwinning

Een andere ontwikkeling die het karakter van het veenlandschap ingrijpend veranderd heeft, is turfwinning. Turf was een gewilde brandstof die gretig aftrek vond in de opkomende steden. Voordat veengebieden intensief in gebruik werden genomen voor ontginning of turfwinning, werd alleen op geïsoleerde zandruggen of aan de randen van deze gebieden gewoond. Dat veranderde vanaf 1300 toen in Vlaanderen de eerste veenkoloniën werden gesticht. Vervolgens begon men ook in Zeeuws-Vlaanderen en West Brabant met het grootschalig afgraven van veen. Enkele eeuwen later volgden de Gelderse Vallei, Zuidwest-Friesland, Drenthe en Groningen. De winning van turf heeft tot ver in de 20e eeuw plaatsgevonden. Bij het afgraven van de turf in laag Nederland kwam men al snel onder de waterspiegel uit. Zo ontstonden grote plassen, bijvoorbeeld de Nieuwkoopse en de Vinkeveense Plassen.

Veenkoloniaal landschap

Bij turfwinning wordt de bovenste laag veen afgegraven en te drogen gelegd op legakkers: lange, smalle stroken in het landschap. Vooral in de veengebieden in Drenthe, Groningen en Overijssel vond deze turfwinning na 1600 op grootschalige industriële wijze plaats. Zo werden onder meer kilometers lange turfkanalen gegraven om de turf te kunnen afvoeren. Om een scheiding aan te brengen tussen het ontgonnen en niet-ontgonnen landschap werden dijken en kaden aangelegd. Door deze ingrijpende interventies ontstond een totaal nieuw landschapstype: het veenkoloniale landschap dat is opgebouwd door langgerekte, smalle kavels omzoomd met richels en kanalen.

de Oude VenenBeeld: De Oude Venen, rechtsonder Polder de Wildlanden met Rengerspole, een klassiek veenweidepolderlandschap, ontstaan door het winnen van turf (vervening).